Consultancy: biotoop van geografen

Collectie
Auteur
Gepubliceerd

Niet langer docent of overheidsplanoloog

Architectenbureaus en ingenieursbureaus waren er al heel lang, maar ‘geografenbureaus’  bestonden tot omstreeks 1980 nauwelijks. Daarna begonnen ze aan een ware opmars.

Ze waren hun tijd ver vooruit in 1975, Hedy d’Ancona en Maurice de Hond. Beiden werkten als docent aan het Sociaal-Geografisch Instituut van de Universiteit van Amsterdam. Maar ze wilden graag eens iets anders dan onderwijs geven: onderzoek doen, nieuwe methoden uitproberen, zelfstandig werken voor niet-commerciële opdrachtgevers. Ze stichtten het Centrum Beleidsadviserend Onderzoek, Cebeon. Hedy d’Ancona aan de telefoon: ‘We zaten op het terrein van bouwen en wonen, verrichtten voor het Rijk bijvoorbeeld studies naar de woningbehoeften van een- en tweepersoonshuishoudens. Dat was kwantitatief onderzoek, dat vooral Maurice deed. Maar we organiseerden ook inspraakavonden over gewenste en ongewenste woonvormen. De tijd was er rijp voor. Cebeon was een kind van zijn tijd: we dachten niet aan pensioenen, de salarisverschillen waren bescheiden, iedereen vergaderde mee, we waren redelijk idealistisch en er was een grote vrijheid van komen en gaan. Als de rapporten maar op tijd af waren. En concurrenten hadden we eigenlijk niet.’

In 1984 begonnen als Stec (Stad en Economie) om vers afgestudeerde Nijmeegse economisch geografen en planologen werkervaring te laten opdoen, nu als Stec Groep actief op het terrein van vastgoed, stad en regionale economie.

Locatus (Amsterdam, 50 werknemers), opgericht door Baptist Brayé (Vrije Universiteit), inmiddels toonaangevend op het gebied van winkeldata.

Meer een netwerkorganisatie is Jonge Honden in Utrecht, dat inmiddels 23 jaar bestaat. Naar eigen zeggen: ‘een platte organisatie: geen leaseauto’s, geen secretariaat en geen directie. Wij doen alles zelf…en dat is hartstikke leuk’.

Cebeon draaide goed, de beide oprichters konden hun baan aan de universiteit opzeggen. Rond 1980 waren er veertien medewerkers. Maar De Hond en d’Ancona gingen verder. Hedy: ‘Maurice vertrok naar marktonderzoekbureau Inter/View. Zelf werd ik staatssecretaris. We hebben het bureau om niet overgedragen aan onze opvolgers.’ Cebeon is nu een gevestigd onderzoeksbureau en heeft naam gemaakt met financiële analyses van projecten en plannen. Een wereld van verschil met het Cebeon uit de beginjaren. 

Deze ontwikkeling laat zien hoe bureaus in de loop der tijd evolueren: ze veranderen van koers, worden specialistischer of juist breder, zijn succesrijk of sterven een stille dood, worden overgenomen of nemen zelf over, krijgen een nieuwe naam of behouden de oude, zijn ouderwets hiërarchisch of juist een plat netwerk. We verkennen de wereld waarvan Cebeon een voorloper was.

Survey-onderzoek

Tot in de jaren 1960 was de arbeidsmarkt voor afgestudeerden overzichtelijk. Geografen belandden doorgaans voor de klas. Ook zij die het tot hoogleraar schopten, begonnen vaak als docent aardrijkskunde. Denk aan Jan van den Bremen, Hans van Ginkel, Gerard Hoekveld en Rob Tamsma. Geografen die een baan zochten in de snel groeiende wereld van de planologische en sociografische diensten, waren pioniers. De verzorgingsstaat ontplooide zich en daarbij pasten een stevig regionaal en ruimtelijk beleid en dito overheidsinstellingen. Alle provincies tuigden bijvoorbeeld planologische diensten op, min of meer naar voorbeeld van de Rijksplanologische Dienst (tot 1965 Rijksdienst voor het Nationale Plan). Ook gemeenten hadden eigen sociografische en statistische bureaus. Zij deden min of meer permanent routinematig onderzoek naar de ontwikkelingen en problemen op hun grondgebied. Feiten en statistieken, beschrijvingen en analyses waren onmisbaar voor goede ruimtelijke plannen. Survey before plan was het adagium. De verzorgingsstaat en de ruimtelijke ordening beleefden hun hoogtepunt in de jaren 1970, tijdens het kabinet-Den Uyl, met zijn ideaal van spreiding van macht, kennis en inkomen – sociaal (over de klassen), maar ook ruimtelijk (over de regio’s).

Varenius (twee mensen) in Leeuwarden is vooral bekend om historisch-geografische publicaties over (steden en regio’s in) Noord-Nederland.

Buck Consultants, in 1985 opgericht door René Buck (economische geografie Nijmegen), heeft acht kantoren verpreid over Europa, de VS, Singapore en China.

Strabo in Amsterdam: eerst een organisatie waar afgestudeerde geografen werkervaring konden opdoen, vanaf 1995 een door Hans van Tellingen (Rijksuniversiteit Groningen) geleid bureau gespecialiseerd in winkelonderzoek.

Geografen waren heel succesvol op de verruimde arbeidsmarkt. Geografie-opleidingen ontwikkelden planologische vakken en stelden leerstoelen planologie in. Tegelijkertijd kregen zij concurrentie van nieuwe lerarenopleidingen. Academisch geschoolde geografen kregen minder belangstelling voor het leraarschap en maakten ook minder kans op de lerarenmarkt.

In de jaren 1980 raakte de verzorgingsstaat uit de gratie bij opeenvolgende kabinetten. Ook de ruimtelijke ordening kreeg de wind tegen. De nieuwe Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en het Besluit op de Ruimtelijke Ordening (BRO) schrapten in 1986 grotendeels de verplichting voor gemeenten en provincies om voortdurend onderzoek te doen naar de ontwikkelingen in hun gebied. Pieter van der Heijde, tot september 2022 directeur-eigenaar van Bureau Stedelijke Planning (kader ‘In het begin…’), begrijpt dat wel: ‘Dit soort onderzoek resulteerde in veel te dikke rapporten waarvan het nut, gelet op de investering in tijd en geld, twijfelachtig was.’ Henk Voogd, destijds hoogleraar in Groningen (hij overleed in 2007), vond het juist onbegrijpelijk dat geografen en planologen niet fel protesteerden tegen ‘de inhoudelijke uitkleding van de ruimtelijke ordening’. Acht jaar later, in 1994, constateerde hij: ‘Veel onderzoeksafdelingen bij overheden zijn opgeheven, afgeslankt of samengevoegd met andere afdelingen. […] Tegenwoordig domineren incidentele projectstudies op ad hoc-basis,  vaak uitbesteed aan commerciële bureaus.’ Het langetermijnonderzoek dat overheden zelf deden, was passé, constateerde Voogd. Bijna dertig jaar later gelden zijn observaties nog steeds, al is langetermijnonderzoek terug in klimaatstudies en in rapporten van het Planbureau voor de Leefomgeving (zie p. 77).

Er speelde meer mee. Gemeenten wilden bezuinigen. Waarom permanent gemeentelijke onderzoekers in dienst nemen, als je expertise ook kon inhuren? Externen hadden bovendien de status van onafhankelijk onderzoeker, belangrijk in situaties waarin partijen en belangen botsten. Een onderzoeker van de gemeente gold niet meer als onpartijdig. Dan liever een rapport van een onafhankelijk onderzoeksbureau – hoewel in deze achterdochtige tijd ook al snel gedacht wordt ‘wie betaalt, bepaalt’.

Stad en Regio doet onderzoek naar ‘stedelijke en regionale ontwikkelingen op menselijke maat’. Oprichter Gert-Jan Hospers bekleedt ook een leerstoel ‘transitie in stad en regio’ aan de Radboud Universiteit Nijmegen en schrijft regelmatig voor Geografie.

Martin Boisen is universitair docent in Groningen, maar zijn bureau For the Love of Place, dat onderzoek doet naar place marketing, management en branding voor steden, runt hij vanuit zijn woonplaats Utrecht.

Een eigen bedrijf

De afbraak van overheidsplanologisch onderzoek en de opmars van commerciële adviesbureaus had grote impact op de arbeidsmarkt. Van de in Utrecht tussen 1981 en 1993 afgestudeerde sociaal en fysisch geografen die in 1994 een baan hadden, werkten vier op de tien in het bedrijfsleven. Van de afgestudeerden tot 1980 was dat in 1994 maar één op de tien. Die vier werkten overigens lang niet allemaal bij bureaus, maar bijvoorbeeld ook bij winkelconcerns, projectontwikkelaars en banken. Van de afgestudeerden in 2007-2020 werkte in 2021 30% bij een bureau; banen in het overige bedrijfsleven zijn daarin niet meegerekend. Dit zijn gegevens van Utrechtse alumni, maar voor afgestudeerden uit Amsterdam, Nijmegen en Groningen zal het niet veel anders liggen.

Niet alle bureaus waar afgestudeerden werken, zijn van origine ook door geografen begonnen. Neem het RIGO (Research Instituut Gebouwde Omgeving), in 1972 opgericht door bouweconomen en architecten in Amsterdam. Of Companen, in 1965 opgericht door planoloog Jan Launspach. De tegenwoordige directeur Bram Klouwen, zelf sociaal geograaf, vertelt: ‘Concrete aanleiding was de invoering van de Wet Ruimtelijke Ordening (WRO) in 1965. Hierdoor moesten veel gemeenten aan de slag met planologische onderbouwingen. Launspach werkte als planologisch onderzoeker voor de gemeente Arnhem en hielp daarbij omliggende gemeenten. Dat zette hij voort in de Stichting Launspach Associatie voor Planologie, de rechtsvoorganger van Companen.’

Vanaf het begin werkten er sociaal geografen en planologen. Klouwen: ‘In de jaren 1970 waren planologische onderzoeken als onderbouwing voor ruimtelijk beleid van gemeenten de belangrijkste opdrachten. Begin jaren 1980, de tijd van de economische crisis en bezuinigingen, kwam Companen in zwaar weer door het wegvallen van opdrachten. Bovendien hadden medewerkers geen ervaring met het schrijven van offertes en het binnenhalen van opdrachten. Net op het nippertje kwam het directoraat-generaal Volkshuisvesting van VROM met een grote opdracht. Daarmee verschoof de focus van planologie naar volkshuisvesting. Meebewegend op de tijdgolven werd Volkshuisvesting Wonen en later Wonen-welzijn-zorg en stedelijke vernieuwing. Er werken nu bij ons tien sociaal geografen/planologen, naast bestuurskundigen, sociologen, historici, maatschappelijk werkers. Best een brede club.’

De economische malaise in de jaren 1980 maakte dat er weinig vraag was naar geografen. Vandaar dat sommige afgestudeerden voor zichzelf begonnen. Geen bijstand maar een eigen bedrijfje. Veelal gespecialiseerd in onderzoek waarmee de oprichter tijdens scriptie of stage kennis en contacten had opgedaan. De startups waren veel minder ervaren dan gerenommeerde bureaus, maar daar stonden lagere tarieven tegenover – wie gewend was aan een beurs hoefde niet meteen een riant salaris te verdienen. In de decennia daarna kwamen ook de zzp’ers, zoals Gelinde Groeneveld (zie p. 73).

Zo leidde een combinatie van factoren – werkloosheid, minder (planologische) banen bij de overheid, toenemende vraag bij overheden naar projectonderzoek door derden, ondernemingszin – tot tal van kleine en grote onderzoeks- en adviesbureaus. Voor een snelle – en zeker niet complete – rondgang langs deze bureaus in Nederland zie kader.

Met dank aan Hedy d’Ancona, Pieter van der Heijde en Bram Klouwen.

BRONNEN

  • Bosten, L. (2020). Arbeidsmarktmonitor 2019. Alumni Nieuwsbrief 2020/1.
  • Bosten, L., & Jans, W. (2021). Alumni vinden snel een baan, in loondienst. Alumni Nieuwsbrief 2021/1.
  • Van Engelenburg, R., & Stijnenbosch, M. (1990). STOGO bood honderden ‘Utrechters’ een goede start. In H. van Ginkel e.a. (red.), Een grote stap. Het Geografisch Instituut in Utrecht, 1960-1990. Utrecht: Faculteit Geowetenschappen.
  • Möller, O. (1994). Het bestand bekeken. Utrecht Connection 1994/april.
  • De Pater, B. (1994). Projectstudies van bureaus verdringen continu-onderzoek bij overheid. KNAG Nieuws, 1994/december.
  • De Pater, B. (1997). CSO profileert zich als fysisch-geografisch bureau. Geografie 6, april, 44.
  • Voogd, H. (1985). WRO/BRO’85: spel zonder knikkers. Geografisch Tijdschrift 1986, 5.