De IJzer anders
Geef je het landschap het woord, dan kom je tot andere inzichten. We doen als mens een stapje terug. Onze bemoeienis en omgang met de aarde zijn immers niet in alle opzichten gelukkig. Dat is de essentie van het initiatief ‘de IJssel anders’. In dat kader was er een vijfdaagse wandeling langs de IJzer – verwant én met een eigen verhaal.
We lopen eind april in een wisselend gezelschap in vijf dagen van Nieuwpoort, waar de IJzer uitmondt in de zee, naar de bron bij Buysscheure in Frans Vlaanderen (figuur 1). Aanleiding voor de wandeling is het hoogwater van de IJzer afgelopen najaar en dit voorjaar. Het is een wandeling door een landschap zonder Ruimte voor de Rivier.
Iedere dag lopen we zo’n 20 kilometer over de dijk langs de IJzer, over jaagpaden, landwegen, meest verhard en redelijk rustig. Het gezelschap varieert van twintig tot vier, met in het Vlaamse deel telkens ook lokale kenners.
Het landschap verandert van monding tot bron: van recreatieland rond Nieuwpoort, tot polderland, tot uitwaarden, tot akkerland op de plateaus. Daartussen de bijna onzichtbare beken in Frankrijk – de Yser is er daar een van – en benedenstrooms, de IJzer als een echte rivier.
Het waterlandschap
Het systeem klopt helemaal. De IJzer is precies gedimensioneerd zoals een rivier dat behoort te zijn (figuur 2). Als boom of trechter, ’t is maar net van welke kant je de stroom bekijkt.
De grens tussen boven- en middenstrooms ligt precies op de grens tussen Frankrijk en België. De overgang van midden- en benedenstrooms is de overgang van een half bedijkte naar een geheel bedijkte rivier. Dat is bij Diksmuide.
Mooier kan het niet. De becque, de beek in Frankrijk, het bekken, de Kupe in Vlaanderen. In werkelijkheid zitten er een paar knikken in (Diksmuide) en is een groot deel van de middenstroom ingericht om water af te voeren, recht en ongehinderd. Dus als systeem klopt het.
Toch ging het mis. Er viel namelijk in dit deel van Vlaanderen en Noord-Frankrijk vanaf november tot maart – en op plekken nog langer – extreem veel regen. Doordat de grond voor een groot deel uit blauwe spie bestaat, een ondiepe, ondoordringbare kleilaag, lopen de broeken [laaggelegen, natte gebieden, red.] snel onder en komen ook delen onder water die normaal droog blijven. Het was ook nauwelijks goed te voorspellen. Men werd overvallen.
Men had het kunnen weten, want ‘Als het broek op Allerheiligen onderloopt, zal het drie keer onderlopen.’
Het oude landschap
Tijdens de wandeling ervaren we hoe weinig wij weten van onze eigen geschiedenis en nog minder van die van Vlaanderen. De Slag bij Nieuwpoort 1600 kent bij ons iedereen. Het jaartal zegt de Vlamingen weer minder.
We krijgen veel mee van wat de streek doormaakte. Dat is veel; misschien nog meer dan Nederland overlopen door vreemden: de Fransen, Spanjaarden, Habsburgers, Nederlanders. En allen overheersen.
De grens tussen het Belgische en Franse deel van Vlaanderen komt er definitief na de Slag aan de Peene, waar Willem van Oranje zijn soldaten letterlijk het moeras in stuurt.
In de vroege middeleeuwen worden er kloosters gesticht en is er een levendige uitwisseling tussen de streken. Niet alleen om het geloof te verbreiden, maar ook om kennis en kunde uit te wisselen. In de Westhoek hebben de monniken en broeders kennis van de landbouw tussen de slenken en schorren. En omgekeerd is er beschreven hoe pater Albertus, een Augustijn van de abdij van Eversam, naar de noordelijke provincies trok om de kennis van de inrichting van polders te bestuderen. Over besturen, de techniek van de vloeiweides.
Veel later is er nog een Vlaams-Nederlandse relatie: de brug bij Elzendamme, de zogeheten Hollandse Brug over de oude IJzer, gebouwd tijdens het korte Nederlandse bewind over de Westhoek (1815-1830). Daarvoor zou Petrus van Kampen hebben getekend. Of waren het toch de Oostenrijkse Habsburgers?
De gruwelijkste periode is de Eerste Wereldoorlog. Door de sluizen van de Ganzenpoot bij Nieuwpoort open te zetten, loopt een deel van de Westhoek onder water en dat zal vier jaar zo blijven. De IJzer vormt de grens tussen de Duitsers in het noorden en het Belgische leger aan de zuidkant.
Wat is ervan over? ‘Een geest, een genius, een daimon? […] Een reus die zich verschool in de mist, een monster dat bestond uit de lichaamsresten van dode soldaten’, zoals Koen Peeters beschrijft in De mensengenezer.
Aan de Vlaamse kant neemt de akkerbouw steeds meer toe. Grasland wordt omgezet in akkers voor bieten, graan en aardappelen.
Foto GERARD HENDRIX
Maar vooral een landschap dat sporen van loopgraven laat zien, de kerk van Oud-Stuivekenskerke, de IJzertoren in Diksmuide, omstreden symbool van Vlaams bewustzijn, ‘Alles voor Vlaanderen – Vlaanderen voor Kristus’. En heel veel bordjes, routes en herinneringsplekken.
Dat oude landschap is dus vol geschiedenis, zichtbaar en verborgen. Zichtbaar zijn de onderkomen waterwerken, de bruggen en de natuur. Het lijkt nog één grote vloeiweide met termen als geleed, koegracht, vaartje, laantje, trekgracht en beek. Dat is het oude systeem, nog te zien als je goed kijkt, tussen Diksmuide en Roesbrugge. Daarvoor en daarna heeft het nieuwe landschap het overgenomen.
Het nieuwe landschap
Als overal leidt de modernisering tot een nieuw landschap. Aanjager is vooral de landbouw: de botanische hooilanden van eerder maken steeds meer plaats voor raaigrasvlaktes. Laantjes, de ondiepe watergangen in de wei, zijn uitgevlakt. In het Franse deel ploegt men tot het randje. Op één plek maar zien we een bufferstrook van een meter of 5 aan weerskanten van de Yser. De rivier zelf is diep ingesneden. Die kan razendsnel stijgen, maar ook even snel weer droogvallen.
Aan de Vlaamse kant neemt de akkerbouw steeds meer toe. Grasland wordt omgezet in akkers voor bieten, graan en aardappelen. In de uiterwaarden maar vooral erbuiten. Grotere en zwaardere machines horen daarbij. De wegen zijn er (nog) niet op aangepast.
De oude boerderijen, als die er nog zijn, zijn omgeven door schuren en andere opstallen die nodig zijn voor een moderne bedrijfsvoering. Vijf jaar geleden constateerde de Vlaams Bouwmeester [vergelijkbaar met rijksbouwmeester in Nederland, red.]: ‘In Vlaanderen verdwijnt er elke dag 6 hectare open ruimte onder het beton. In geen enkele Europese regio wordt zo kwistig met open ruimte omgesprongen.’
Ik had er een discussie over met mijn Vlaamse gezelschap. Hoe mooi en bijzonder het IJzerlandschap ook is, behoudenswaardig enzovoorts, je moet wel monumenten hebben en houden om er erfgoedlandschap van te maken.
Wat nu vooral pijn doet, zijn de platgespoten akkers, aan de Franse kant nog meer dan aan de Vlaamse. Glyfosaat. Door alle regen is het normale patroon doorbroken. Veel gewassen konden niet worden geoogst. Aardappelen en bieten vooral. De enige(?) oplossing is spuiten en als je het land weer op kunt, onderploegen en glad maken. Sommige boeren zijn te vroeg het land opgegaan. Diepe sporen als gevolg. Arme grond.
Het water van de Source de Notre Dame, een geneeskrachtige bron aan de Chemin des Cinq Rues bij Bollezeele, drinken we maar niet. Later hoor ik dat het helpt tegen oogziektes. Het is in ieder geval bacteriedodend.
De Westhoek heeft twee gezichten: het traditionele, sterk historische landschap met de dorpen, kerken, kloosters en hun geschiedenis, en de ‘ontwikkeling’ van het kusttoerisme, de landbouw en industrie. Zouden er andere, minder bedreigende motoren voor ontwikkeling denkbaar zijn? Watou, dichtbij, laat het zien. Ik kom er al zo’n 25 jaar voor het poëzie- en kunstenfestival. De eerste jaren leek het dorp op wat ik nu zie in Roesbrugge: veel vervallen en ‘te koop’. Nu is het een welvarend, opgeplust dorp vol energie. Cultuur als motor. Of is het, zoals mijn Vlaamse metgezel zegt, toch anders? ‘De enige economische sector die er wel bij vaart, is de lokale horeca, de cafés en restaurants die enkel in de zomerdagen hun topmoment beleven, in de winterperiode is Watou dood. We mogen ons niet laten leiden door toerisme, dit is commodificatie [tot verhandelbaar goed maken, red.] van iets wat er niet is.’
De IJzer anders
Inmiddels is er een taskforce opgericht om de Westhoek weerbaar te maken. Een provinciaal programma dat jaren geleden is gestart om verdroging tegen te gaan. Het project ‘IJzer- en Handzamevallei: Klimaatsponsen in de Westhoek’ moet bij wijze van spreken andersom redeneren. Het gaat nu niet om te weinig water maar om te veel. Actie is geboden, zoveel is duidelijk. Droogte en te veel water zullen vaker voorkomen.
Eigenlijk is het simpel. Technische oplossingen zijn er te over. Er lijken twee smaken: de dijken verhogen en nieuwe dijken maken aan de ene en meebewegen met het water aan de andere kant. Dus verondiepen, meanderen, verbreden, ruimte geven, bufferen, vloedvlaktes, plas-dras, andere gewassen, grotere spuicapaciteit, stuwen weer laten werken. En soms een dijk verhogen en vernieuwen.
Zo simpel is het natuurlijk niet. Juist omdat het zo’n oud, deels nog bestaand, systeem is, moet je het verleden kennen, niet alleen technisch. Hoe is door de eeuwen heen met de IJzer omgegaan? Wat beleven de bewoners?